‘Ik ben geworden wie ik ben door het leven wat ik heb geleid en voel me een bevoorrecht mens. Mijn ouders hebben ondanks de oorlog een enorm warm nest geschapen voor mij en mijn drie broers. Er was veel vertrouwen en ik mocht als meisje bijna alles. Met 14 al alleen met vriendinnen op fietsvakantie en later een opleiding volgen. Dat was in die tijd allesbehalve vanzelfsprekend. Ook mijn man vond het fijn dat ik meewerkte in onze bedrijven. Zelfs toen ik kinderen had bleef ik halve dagen werken in onze boekhandel. Dat werd mij niet altijd in dank afgenomen door de gemeenschap, maar mijn man en ik vonden het heerlijk dat we alles samen konden doen.’
‘In 1972 kwamen we in Harlingen terecht. Daar hebben we de mooiste jaren van ons leven gehad. We waren heel actief in het verenigingsleven en maakten van onze boekenhandel haast een cultureel centrum. Toen kwam de oliecrisis. In 1982 werden we naar de bank geroepen en binnen een kwartier stonden wij weer voor de deur met de mededeling dat onze zaak zou worden geliquideerd. We hadden hier niets over in te brengen. We moesten helemaal opnieuw beginnen.’
‘Het leven is onvoorspelbaar. Het ene moment is alles goed en het moment daarop ligt alles in scherven. Mijn man kreeg rond zijn 60ste last van een klapvoet. Het duurde even voordat hij zijn diagnose kreeg: ALS. In die tijd was deze ziekte nog nagenoeg onbekend. Drie jaar later is hij in bed overleden. Hoe moeilijk ik dit afscheid ook vond, hij heeft me laten zien hoe mooi en rustig iemand kan gaan. Hij heeft gewoon het leven kunnen loslaten. Mijn moeder daarentegen, die enkele jaren daarvoor ziek werd en die ik tot aan haar einde heb verzorgd, wilde niet dood. Zij was zo kwaad dat het haar overkwam. Heel moeilijk om dat mee te maken. Ik wil mezelf erop voorbereiden dat ik kan loslaten. Dat is de grootste kunst die je kan leren. Ook ten opzichte van je kinderen. Dood hoort gewoon bij het leven.’
‘Ik mis mijn man nog steeds. Er is er maar een. Ik had hem graag langer gehad. Het zou zo’n leuke grootvader zijn geweest. Gelukkig heb ik mijn kinderen, mijn kleinkinderen en mijn broers nog dichtbij en ik hou zo veel mogelijk contact met mijn vrienden. De verbondenheid met de mensen om me heen geeft mijn leven zin. Verder wil ik nuttig zijn en blijven en ergens aan bijdragen. Dat heb ik mijn hele leven met veel plezier gedaan in diverse organisaties en verenigingen en dat doe ik (waar mogelijk) nu nog. En ik blijf nieuwsgierig. Ik volg het nieuws, ben begaan met de wereld en hou van kunst en cultuur. Ook al kan ik het niet meer helemaal bijbenen, ik blijf het opzoeken. Er is zo veel moois waarmee ik mezelf kan voeden.’
Tjer Sietinga, 12-09-1937