Op mijn zeventiende begon ik, zonder veel overtuiging, met mijn opleiding aan de kweekschool (toenmalige Nederlandse opleiding tot onderwijzer (red.)). De eerste jaren als leraar in Amsterdam waren prima en ik genoot van het bruisende leven in de stad. Na enige jaren zag ik wel dat met name mijn oudere collega’s alleen maar klaagden over de leerlingen en geen plezier meer hadden in hun werk; ze waren helemaal uitgeblust. Ik was toen zelf pas begin 30. Dat mocht en zou mij niet gebeuren. Daarom besloot ik het onderwijs te verlaten en begon ik een café op de Lindengracht: De Kat in de Wijngaert. Het bestaat nog steeds.
Helaas valt het leven als kroegbaas moeilijk te combineren met een gezinsleven. Mijn eerste huwelijk ging stuk en toen ook mijn inmiddels tweede vrouw aangaf dat ze er moeite mee kreeg, heb ik het café verkocht. Wij gingen eerst samen met onze zoon voor een paar maanden op reis door Amerika. Eindelijk weer vakantie! Teruggekomen wilde mijn vrouw graag gaan studeren en zo koos ik voor diverse baantjes die te combineren waren met het leven als huisvader. Met name als vertegenwoordiger voor een afvalbedrijf heb ik best goed verdiend. Dat vond ik in het begin erg leuk, maar ik ging steeds meer balen van mezelf. Het is een sociaal arm leven en je bent de hele tijd aan het slijmen omdat je iets wilt verkopen.
Op een dag viel er een brief in de bus van staatssecretaris Netelenbos; die schreef iedereen aan die ooit in het onderwijs had gewerkt. Er was een tekort aan leraren ontstaan en zo kreeg ik de mogelijkheid aangeboden om weer terug in te stromen. Ik was ondertussen al 15 jaar uit het onderwijs en twijfelde, maar heb toch die kans gepakt.
Na de zomervakantie begon de opfriscursus. Ik werd enorm enthousiast en in december had ik al een baan op een basisschool in Amsterdam. Daar besefte ik hoe erg ik dit had gemist. Ik voelde me in mijn element en zag rond mijn 60ste zelfs ontzettend op tegen mijn aanstaande pensioen. Ik heb graag mensen om me heen en als alleenstaande dreigde er voor mij een diep, zwart gat.
Na nog geen twee weken met pensioen ging ik naar een kinderboerderij waar ik vroeger ook vaak met mijn zoontje kwam, op zoek naar vrijwilligerswerk. Ze konden me daar goed gebruiken. Inmiddels werk ik 2 dagen per week voor 2 verschillende locaties en ik vind het heerlijk om te doen. Ik geniet van het buitenleven en ben onder de mensen.
Daarnaast leer ik steeds weer nieuwe dingen. Ik ben bijvoorbeeld een fanatieke bridger geworden. Ik bridge met drie vaste vrienden, twee vrouwen en een man. De band met deze drie is zelfs sterker geworden dan met mijn familie in Friesland. We sturen elkaar elke ochtend en appje als levensteken. Drie van ons zijn alleenstaand en zo houden we elkaar op de hoogte van elkaars welzijn. Het is voor mij bijzonder dat ik op mijn ouwe dag nog zo een hechte vriendschap ervaar.
Zo’n tien jaar geleden ben ik ook begonnen met gitaar spelen. Veel te laat! Ik had daarvoor best wat pogingen achter de rug en dacht regelmatig ‘dat ga ik nooit meer leren’. Maar dan hoor ik weer een liedje dat ik graag wil kunnen spelen en ga ik aan de slag met behulp van tutorlessen op YouTube. Het lukt me ondertussen best aardig. Je hoeft echt niet elke dag een uur te oefenen. Gewoon regelmatig wat liedjes spelen en dan komt het eelt en de kunde wel. Het liefst speel ik voor mezelf maar als iemand me vraagt om mijn gitaar mee te nemen, dan doe ik dat. Eigenlijk ben ik best verlegen maar ik vind het zeker leuk als men mee gaat zingen.
Ik zou iedereen van harte aanbevelen om niet je hele leven hetzelfde te doen. Verandering verbreedt je horizon enorm. Je ziet andere dingen en je leert relativeren. Als ik 40 jaar non-stop in het onderwijs had gewerkt was ik net zo uitgeblust als mijn vroegere collega’s. Ik had gewoon tijdelijk iets anders in mijn hand dan schoolkrijt en dat was mijn redding. Als ik het nog een keer over zou doen zou ik het waarschijnlijk weer zo doen.
Teun Beetstra, 1948