Ik ben veel leuker geworden, veel onbevangener

Geplaatst op

Je hebt zondagskinderen die vanaf het begin hun eigen pad bewandelen. Maar ik zie ook veel mensen om me heen die nog heel erg vastzitten. ‘Ik wens je ‘drama’ in je leven toe’, zeg ik dan. Dat klinkt onaardig, maar ik bedoel het heel erg liefdevol. Want als je een keer helemaal tot op de bodem bent gezonken, kun je van daaruit jezelf opnieuw opbouwen. 

Ik zelf ben een enorme laatbloeier. Thuis waren we met 6 kinderen. Het voelde veilig, maar mijn ouders moesten zo hard werken dat er weinig aandacht was voor ons. Ik was een heel verlegen meisje en had constant het gevoel dat ik er niet bij paste. Ik wilde medicijnen studeren maar mijn moeder vond fysiotherapie beter passen bij een meisje. Dat was nog zo in die tijd. Gelukkig was ik eigenwijs genoeg om na een jaar alsnog medicijnen te studeren. 

Ik wilde altijd bij een groep horen. Maar telkens als ik bij een nieuwe groep zat dacht ik: ‘Is dit het nou?’. Met vriendjes schoot het ook niet op. Ik dacht snel: ‘Kom maar op! Ik kan je aan, ik kan je hebben!’. Ik stond altijd stoer met mijn kin omhoog en mijn armen gekruist. Niet bepaald vrouwelijk en dus niet bepaald uitnodigend.

Ik was nog erg jong toen ik afstudeerde. Als je medicijnen hebt gestudeerd dan was je in die tijd heel wat. Ik ontleende er veel status en houvast aan, maar het was tegelijkertijd een enorme vlucht, om maar niet de leegte van binnen te moeten voelen.

Er volgde een zoektocht langs diverse ziekenhuizen en medische specialismes. Het was uitdagend en ik was goed in wat ik deed, maar toch telkens weer de vraag: ‘Wat ben ik nou eigenlijk aan het doen? Is dit het?’ Ik kwam zo vaak in de knel met het systeem. Met name het gebrek aan tijd die je nodig hebt om mensen echt bij te kunnen staan. De pieper en de farmaceutische industrie bepalen wat je doet, niet de patiënt die voor je staat. Ik kon daar moeilijk mee omgaan. 

Toen ben ik verzekeringsarts geworden. Dit lijkt op het eerste gezicht een makkelijk vak maar het tegenovergestelde is waar. Hier heb ik geleerd naar de hele mens te kijken. Als iemand vastloopt op zijn werk heeft dat vaak meer dan een reden. Het gaf me enorm veel voldoening om samen met de patiënt de puzzel van ziekte, gedrag en persoonlijke omstandigheden op te lossen. Eindelijk snapte ik waarom ik in het ziekenhuis niet kon gedijen. Omdat daar de mens wordt opgesplitst in onderdelen en niemand meer naar het geheel kijkt.

Vanuit die ervaring heb ik me verder ontwikkeld en ben ik een enorm mensenmens geworden. Ik vond zelfs een man en kreeg twee prachtige kinderen. We waren superblij met elkaar en hebben een hele fijne tijd gehad. Helaas liep het alsnog uit op een scheiding. Mijn hele kaartenhuis viel in duigen. Ik was toen 49. Wat nu? De kinderen waren in liefde op de wereld gezet en ik wilde hen met zo veel mogelijk liefde laten opgroeien. Maar ik zakte helemaal tot op de bodem van de put. Op een gegeven moment keek ik naar mezelf in de spiegel en dacht: ‘Je gaat niet zuur en bitter worden!’ Toen heb ik met mezelf de afspraak gemaakt om er hoe dan ook wat van te maken. Vanaf dat moment ben ik stap voor stap geworden wie ik nu ben. Vroeger deed ik nog weleens dingen omdat ik dacht dat dat verwacht werd. Dat doe ik niet meer. Ik ben veel leuker geworden, veel onbevangener. Daarnaast ben ik tot de overtuiging gekomen dat je pas sterk bent als je kwetsbaar durft te zijn. Daardoor ben ik veel opener geworden over mijn onzekerheden.

Els Pieterse, (1955)